De jongenskamer

Ik kijk op mijn horloge, 3 uur in de nacht. Zal mijn moeder het doorhebben dat ik 2 uur later thuis ben dan afgesproken? Op hoop van zegen dan maar. Ik sta voor mijn huis. Met enige twijfel loop ik verder, doe ik de deur open en stap ik over de drempel. Als ik de deur dicht doe, kraakt hij. Ik zie niets, het is te donker. Ik ben moe om nog enge gedachtes te hebben, dus zonder angst doe ik het licht aan en ik loop de trap op naar mijn kamer. Ik hoor niets of niemand, opgelucht ga ik mijn bed in. Als ik eenmaal lig, hoor ik iemand naar mij kamer toe rennen. Als bescherming, wat weinig nut heeft, doe ik de dekens verder over mijn lichaam.  ‘Je bent te laat’, het is mijn moeder die boos voor mijn deur staat. Ze doet het licht aan. ‘Het spijt me, tijd vergeten’, zeg ik ongeloofwaardig. Ik zie aan mijn moeder dat ze mij niet geloofd. Ze zegt niets meer en loopt weg. Langzaam maar ook snel val ik in slaap.

Als ik de volgende ochtend wakker word, krijg ik een sms binnen.  ‘Kom je vanavond weer?’, het is van mijn vriendje die gisteren ook op het feest was. ‘Ja, als jij er bent wel’. Ik lach zachtjes, omdat ik weet dat ik flirt. ‘Tuurlijk x’ smst hij snel terug. Ik kijk naar mijn kledingkast en zie een leuke jurk die ik aan kan trekken. ‘Dan kom ik’ sms ik terug. Ik ga mijn bed uit en loop naar beneden. In de woonkamer zie ik mijn moeder. ‘Je mag deze hele week niet meer uit’, zegt ze direct en streng. Met de gedachte dat ik vanavond wel ga, antwoord ik, ‘Ja, dat begrijp ik’. Ik krijg een schuldgevoel, maar door de gedachte dat ik mijn vriendje vanavond weer ga zien verdwijnt het snel. Mijn moeder knikt. Ik eet een ontbijt en ga daarna gelijk weer naar boven.

De middag is snel gegaan en ik ben klaar om naar het feest te gaan. Ik heb de geweldige jurk en het geweldige vriendje, dus deze avond gaat fantastisch worden.  Mijn ouders kijken tv, dus ze hebben het gelukkig niet door dat ik wegga. Ik loop door de gang, doe mijn haken aan en doe dan zachtjes de deur dicht. Snel ren ik naar mijn fiets en rij ik naar het feest.

‘Je bent er’ mijn vriendje geeft mij een kus. ‘Tuurlijk’ antwoord ik.  Samen lopen we naar onze andere vrienden toe. We kunnen elkaar nauwelijks verstaan omdat de muziek daar harder is. Nadat ik iedereen gedag hebt gezegd, ga ik met mijn vriendje dansen. Ik had gelijk, deze avond is fantastisch. Mijn vriendje kust me weer. Ik voel me gelukkig en vrij. Hij kijkt me aan en fluistert iets in mijn oor. ‘Je bent zo mooi’. Zachtjes lach ik. ‘Jij bent zo lief’, zeg ik terug. Hij blijft me aankijken en knuffelt me dan. Op dat moment gaat alles snel. Het moment dat ik mijn vriendje knuffel op de perfecte avond, verandert in een vreemd meisje die gilt in een nachtmerrie. Van schrik laat ik mijn vriendje los, niet helemaal want we houden elkaars hand nog vast. ‘Wat is dit?’ zegt hij. Ik zie iedereen rennen. Iedereen vlucht, voor het onbekende wat opeens bekend wordt. Ik zie in een hoek een groep mannen met een pistolen staan. Om mij heen zie ik dat al velen mensen zijn neer geschoten. Ook ik begin te gillen, uit angst ,omdat ik weet dat het niets helpt. Mijn vriendje trekt me mee. Samen rennen we langs mensen die gillen en ook rennen en langs mensen die stil zijn en dood zijn. Ik begin te huilen. Mijn tranen vallen op de grond en op mijn t-shirt, die ondertussen door alle schoten ook al onder het bloed zit. Plots hoor ik mijn vriendje heel hard gillen. Hij is geraakt en niet zo’n beetje ook. Hij valt gelijk op de grond. Ik ga naast hem zitten. En begin nog harder te huilen dan eerst. ‘Lieverd, je kan het, niet weggaan’ schreeuw ik. Een man staat achter mij, ik hoor zijn pistool overgaan. Nu weet ik dat het te laat is. Dit is mijn einde, mijn laatste seconde dat ik leef.  Hij schiet, maar niet op mij. Hij schoot op een jongen. De man die schoot zegt wat tegen me, ‘meekomen jij en snel’, omdat ik net nog dacht dat het mijn laatste seconde van mijn leven was, loop ik achter hem aan en doe ik alles wat hij aan mij vraagt. Al snel ben ik weer buiten. Hij duwt me in een busje waar meerdere meisjes in zitten. Alle meisjes huilen. Als het mij opvalt dat het alleen meisjes zijn die in deze bus zitten en dat er steeds meer meisjes bijkomen, gaat er een gore gedachte door mijn hoofd.

We rijden nu al bijna één uur en we zitten nog steeds in de bus. Sommige meisjes zijn gaan slapen anderen huilen nog steeds. Ik blijf wakker, omdat ik niet kan slapen. Want telkens denk ik weer aan mijn vriendje die overleden is. Ik weet nog precies hoe hij er op zijn laatste secondes uit zag, misschien omdat het een uur geleden is..  De gedachte wat deze mannen straks met de meisjes en mij gaan doen, maakt mij misselijk. En de gedachte dat ik mijn vriendje nooit meer zal zien maakt mij aan het huilen. Daarom denk ik nergens aan. Ik kijk gevoelloos voor me uit. ‘Nog even dames’, hoor ik een man aan het stuur zeggen. De anderen mannen die naast hem zitten lachen. Een meisje begint nog harder te huilen. Ik kijk haar aan. En ik ontdek dat het zusje is van het meisje die het feestje gaf. Het zusje is nog maar 11 jaar. Ik wil niet meer denken aan wat er zo met ons gebeuren, want ik weet toch al zeker dat mijn gedachtes werkelijkheid worden.

‘Niet zeuren, maar meekomen’, zegt een man. Na bijna 2 uur rijden zijn we er. Een afgelegen plek midden in het bos. Er is niets of niemand, alleen een klein huisje. Het ziet er schattig uit, maar ik weet zeker dat het niet schattig zal zijn. Een man duwt me uit het busje en houdt me stevig vast. Ik loop met hem mee, omdat ik toch geen andere keuze heb. Ik zie anderen meisjes tegen stribbelen, ze worden hard geslagen, waardoor ze uiteindelijk toch mee moeten. Na een paar meter lopen staan we met alle meisjes en mannen voor de deur. Het is een paar minuten stil, maar dan zegt een meisje wat. ‘Gaan we nog naar binnen?’, vraagt ze onzeker maar tegelijker tijd brutaal. Een man moet lachen, later lachen meerdere mannen. ‘Zo jij hebt er zin in’, roept een van de mannen. Wat me opvalt aan de mannen is dat ze er allemaal hetzelfde uitzien. Oud, maar nog niet grijs en ze hebben allemaal dezelfde truien aan, met hetzelfde logo. Zal dat niet opvallen, denk ik snel. Bovendien zien ze er harteloos uit, wat ze waarschijnlijk ook zijn. Uiteindelijk doet een man de deur open. Het ziet er uit als een normale jongens kamer, ik ben verrast. Maar als dan een man een luik open trekt en we allemaal via het luik met een trap naar beneden moeten lopen, lijkt het al wat meer op de werkelijkheid. Ik zie alleen maar kamers, alle kamers zijn op slot. Om mij heen hoor ik ranzige geluiden, waarvan ik niet wil weten wat het is, maar het toch weet. Elke man loopt met een meisje mee. Een man loopt ook met mij, helemaal aan het einde van de gang, duwt hij mij in een kamer. Het is nog donker, dus ik doe het licht aan. Ik zie meerdere meisjes, ze liggen allemaal op een bed. Ze kijken me aan alsof ik de nieuweling ben, wat ik waarschijnlijk ook ben. ‘Hoi’, zeg ik. Ik weet niets anders om te zeggen, dus ik begin maar met gedag te zeggen. ‘Hey’, zegt een meisje, de andere meisjes zeggen mij ook gedag. ‘Ik denk dat ik het antwoord al weet, maar wat is dit?’, vraag ik. ‘Je wordt gebruikt als een meisje voor hun plezier’, zegt ze. Ik knik en ga op een leeg bed zitten. ‘Hoelang werken jullie hier al?’, ik durf het bijna niet te vragen, maar ik wil het weten. Hetzelfde meisje antwoord weer, ‘te lang, een jaar of 2’. Ik zeg niets en kijk naar het plafond, het is wit. Zoals de meeste plafonds wit zijn. ‘We waren ooit bijna gevonden, maar zelfs de politie hebben ze vermoord’, zegt een ander meisje. Dat maakt me bang. ‘Na drie jaar gewerkt te hebben, wordt je ergens gedumpt’ het meisje zucht. ‘De geruchten zijn dat die meisjes vermoord worden’. Mijn leven is dus nu echt hopeloos, ik kan mezelf beter nu vermoorden, denk ik.

We zitten met alle meisjes en mannen aan tafel. Naast elk meisje zit een man, zodat niemand kan vluchten. Je kunt hier dus niet  zelfmoord plegen, want je wordt de hele dag in de gaten te houden. Je kunt hier dus niet weglopen, want er zit altijd een man naast je. Het enige wat je kan doen is je gedragen als iemand die je liever niet wilt zijn. Vandaag was mijn eerste keer met een wild vreemde man. Het was ranzig, als ik iets niet goed deed werd ik geslagen. Mijn hele lichaam is bedekt met blauwe plekken. Maar nu voel ik tenminste niet de pijn die onbeschrijfbaar is, mijn verdriet, mijn angst. Ik wil dat mijn moeder bij mij is, die troostte mij altijd. Als ik haar knuffelde leek alles weer goed te komen. Ik stop met denken aan mijn moeder, omdat ik mij realiseer dat ik de gene was die bij haar wegliep. Ik was degene waardoor het komt waar ik nu ben. Omdat als ik niet was weggegaan, ik nu misschien wel thuis zat te eten in plaats van naast een man die ik niet ken en niet hoef te kennen. En naast meisjes die zich precies hetzelfde voelen als mij, verloren. Na het avond eten, hoef ik niets meer te doen. ‘Mag ik misschien een kladblok en een pen om mee te schrijven?’, vraag ik aan een van de honderd mannen.  Hij lacht mij uit, maar even later brengt hij wel alles waar ik om gevraagd had naar mijn kamer die ik samen met een paar andere meisjes deel. Zonder dat dezelfde man wat zegt of naar mij kijkt geeft hij mij de spullen. Ik pak het aan en begin gelijk met het schrijven van een gedicht.

 

Als geluk niet meer bestaat,

als alles is vernielt,

wat jou ooit heeft geraakt.

 

Als alleen de eenzaamheid er nog is,

en je gek wordt van al dat gemis.

 

Als niemand je de liefde geeft,

alsof het gewoon niet meer voelt,

alsof je leeft.

 

Als je alles verloren hebt,

en te jong bent,

dat je alles door hebt.

 

Waarom zou je dan nog verder gaan?

zelfs bij die gedachte,

valt geen traan.

 

Ik kan niet meer huilen. Want als ik huil dan voelt het alsof ik niet voor mezelf huil, maar voor de mensen om mij heen. Voor de mannen. Dus ik huil niet, maar ik schrijf. Want schrijven is het enige waar ik nu troost in kan vinden. Ik begrijp alles, maar misschien begrijp ik alles niet goed genoeg. Misschien moet er toch een oplossing zijn om hier weg te komen. Het is pas mijn eerste avond hier, maar ik voel me nu al hopeloos. En dat is precies hoe de mannen willen dat ik mij voel. Het is moeilijk, maar ik moet stoppen met mij hopeloos voelen. Ik moet gaan schrijven, de troost terug vinden. Het is misschien ranzig, maar ik heb nog maar drie jaar te leven als de geruchten waar zijn. Dus naast dat ik elke dag met vreemden naar bed moet ga ik genieten van mijn bestaan. Deze gedachtes klinken niet als de werkelijkheid, maar wie zegt dat je werkelijkheid niet anders kunt maken door anders te denken. Alles beter dan negatieve gedachtes hebben en huilen. Het duurt niet lang voordat ik in slaap val.

 

Het is ochtend en het is koud. Volgens mij hebben ze hier geen verwarming, daglicht hebben ze hier ook niet. We beginnen de dag weer met gezamenlijk eten, wat ik liever alleen wil doen. Ik vraag me af hoe ze boodschappen doen, maar dan realiseer ik mij dat deze mannen ook een leven hebben. Misschien hebben ze wel een gezin. Opeens heb ik geen honger meer.  Want ik bedenk mij dat als ze een gezin hebben, het mij vreselijk lijkt om een van hun als vader te hebben. Ik heb zoiezo geen honger meer, omdat dit eten net zo ranzig is als wat ik vandaag weer ga doen.

 

De dagen en weken gaan te langzaam, ik doe elke dag hetzelfde. Maar ik weet dat ik nog maar drie jaar hetzelfde kan doen. Een meisje vroeg mij laatst wat ik schrijf in mijn boekje. Gewoon verhalen, antwoorde ik toen. Ze keek mij aan alsof ze wat wou zeggen, maar ze heeft nog steeds niets gezegd.  Ik schrijf nu weer wat in mijn boekje.

 

Mijn laatste gedachtes zijn de gedachtes die ik nu heb.

Omdat ik niet weet of ik nog wel verder wil.

Ik weet niet of ik nog elke dag op wil staan

met de gedachte waarom ik eigenlijk besta.

Ik weet niet of ik nog iemands plezier wil zijn,

met steeds vreemden.

Ik weet niet of ik nog in slaap wil vallen

met de gedachte dat het mijn laatste gedachte is.

Want als ik telkens de gedachte heb

waarom ik er eigenlijk nog ben

heb ik liever geen gedachtes meer.

 

Het is te negatief, maar in deze situatie kan ik even niet anders. Net op het moment dat ik het wil doorkrassen, komt het meisje die vroeg wat ik mijn boekje schrijf de kamer binnen. ‘Ik heb een idee, ik ben Melanie trouwens, zegt ze’, het is het eerste meisje in weken die haar naam tegen mij zegt, denk ik. Zelfs de meisjes die op dezelfde kamer als mij slapen hebben hun naam nog niet verteld. ‘Oke, ik ben Dagmar’, vertel ik haar. Ze knikt. Ze gaat naast mij zitten, we zitten nu samen op hetzelfde bed. ‘Ik weet hoe we hier weg kunnen komen’, zegt ze. Ik luister aandachtig naar haar. ‘De blaadjes van het boekje kunnen we eruit scheuren’ ze wacht even en praat dan verder. Nu fluistert ze meer. ‘En dan kunnen we er een boodschap opzetten voor de buitenwereld. Een soort van help ons briefje’, zegt ze serieus. Het klinkt als een belachelijk plan, maar ook als een uitweg. ‘Wanneer hebben we weer zo’n opdracht dat we op andere locaties iets moeten doen dan?’, vraag ik haar. ‘Dat kan op elk moment zijn, maar als je altijd zo’n briefje in je zak hebt zitten, ben je dus ook altijd voorbereid’. Ik maak haar verhaal af. ‘En als elk meisje het doet, kunnen ze ons nooit allemaal straffen of zelfs vermoorden’. Ik zie iets glinsteren in haar ogen. Zelf voel ik ook een gevoel dat ik een tijd niet meer heb gevoeld. Het voelt als geluk. Alsof eindelijk ons iets mee zit. ‘Laten we die briefjes nu schrijven en zo uitdelen aan alle meisjes’, zegt ze. Ik knik.  Het maakt niet uit als het misgaat, denk ik. Ik wil gewoon iets proberen om hier te ontsnappen. Nadat we alle briefjes hebben geschreven  delen we ze aan iedereen uit. Sommige meisjes wouden het eerst niet, maar uiteindelijk hebben we het toch voor elkaar gekregen dat iedereen hetzelfde hulp briefje heeft.  De reden dat iedereen een briefje heeft is dat je nooit weet wie naar een andere locatie mag. Ik lees het briefje nog een keer.

 

Help ons! Wij zijn meisjes die gebruikt worden, al jaren lang. Als u ons wilt helpen, wij zijn in een bos, 2 uur van Rotterdam af. De politie heeft al eerder naar ons gezocht, maar zijn toen vermoord. Als u komt, kom dan met velen. De locatie ziet eruit als een klein, schattig huisje. Als u binnenkomt lijkt het op een jongenskamer. Niets van alles is waar, onder een tapijt bevindt zich een luik. Hieronder zitten wij.

 

Tevreden doe ik het briefje in mijn broekzak. Op hoop dat ze hem niet vinden. Op hoop dat het plan lukt. Ik leg het boekje  onder de houten vloer, gewoon voor de zekerheid. Omdat het boekje alles is wat ik nog heb. Ik loop samen met Melanie naar de eetruimte. We kijken op de lijst wie vandaag naar een andere locatie mogen. Melanie en ik staan er beiden op met nog zestien andere meisjes. We kijken elkaar even aan. ‘Op hoop van zegen’, zegt Melanie. We trekken onze lelijke outfit aan voor de locatie. De mannen noemen het mooi. Ik weet niet hoe het werkt met naar een andere locatie gaan, dit is de eerste keer. Ik ben zenuwachtig, maar ik gedrag me normaal. Tenminste, dat denk ik. Melanie fluistert iets in mijn oor. ‘Iets minder trillen, anders valt het op’, ze glimlacht naar me. Ze is de eerste die mij weer het gevoel laat geven dat ik mag bestaan. Ook geeft ze mij een gevoel van vriendschap. Ik weet niet of we vriendinnen zijn, maar het voelt wel zo. Ook al hebben we nog bijna niets tegen elkaar gezegd. Zij weet het meeste van mij van alle meisjes en mannen. Ze weet mijn naam. Ik snap niet waarom niemand elkaars naam weet, maar ik vind het fijn dat zij de mijne weet. Ze pakt mijn hand. Samen met alle andere meisjes die mee moeten en een paar mannen lopen we naar boven en openen het luik. Ik zie de jongenskamer weer. Ze knijpt in mijn hand en we kijken elkaar aan. Ze glimlacht een beetje en ik glimlach terug. ‘Doorlopen jullie en stop met die vriendschap scène’, zegt een man. Ze gunnen het je ook echt niet om even gelukkig te zijn, ik zucht. Maar toch doe ik zoals altijd wat ze zeggen. Machteloos is  het gevoel wat ik hier het vaakste heb. We zitten weer in het busje. Na een tijdje rijden zijn we er. Ik zie dat Melanie het briefje op de grond probeert te gooien. Ik zie ook dat een man het gezien heeft. Ze wordt tegen het busje aan geduwd. Een andere man pakt het briefje op. ‘Wat dacht jij wel niet’, schreeuwt een man. Alle meisjes zijn stil. ‘Ik dacht hetzelfde’, zeg ik. Een andere man pakt mij stevig vast. ‘Help ons, wij zijn meisjes die gebruikt worden, al jarenlang’,  leest een man op een sarcastische toon voor.  ‘Wij dachten ook hetzelfde’,  iedereen geeft het briefje aan de mannen. Ik zie de woede in de mannen hun ogen. Ik hoor geschreeuw om mij heen. De mannen beginnen de meisjes te slaan, ook mij. Ik kan even niets meer voelen. Het voelt alsof ik weg ben van de wereld. Al snel wordt het wazig om mij heen.

 

Als ik wakker wordt, lig ik alweer op mijn bed in het niet zo schattige huisje. Ik hoor iemands adem vlak bij mijn gezicht. Langzaam open ik mijn open, maar door de pijn die ik nu wel voel, doe ik ze snel weer dicht. ‘Een van de mannen heeft je bewusteloos geslagen. Je bent op je slaap geraakt’, zegt Melanie, die naast mij zit geschokt. Ik wil wat zeggen, maar ik kan niets zeggen. Ik wil opstaan, haar bedanken voor dat zij de enige is die naast mij zitten. Maar ik kan nu niets. Overal voel ik de pijn, zelfs op plekken waar ik niet eens wist dat je daar pijn kon hebben. ‘Doe maar voorzichtig’, zegt ze nu bezorgd. Volgens mij ziet ze aan mij dat ik benieuwd ben hoe het met de andere meisjes gaat. ‘Iedereen leeft nog, maar er zijn er samen met jou vier meisjes bewusteloos geraakt’. Ik knik, zelfs knikken doet nu pijn. ‘Probeer maar te slapen’, praat ze verder. ‘Ik blijf naast je zitten’. Gelijk heb ik door dat slapen niet lukt. Maar ik moet mijn ogen dicht houden, dus uiteindelijk val ik toch in slaap.

 

Het voelt alsof ik maanden van de wereld weg ben geweest. Het is na de vriendschap met Melanie het fijnste gevoel wat ik hier gevoeld heb. Ik hoor stemmen om mij heen. ‘Waarom sloeg je haar nou zo hard?’. Een andere stem zegt, ‘Ze is nu al een 2 dagen aan het slapen’. Het zijn de mannen. Dat hoor ik aan hun harteloze stemmen waar ik aan gewend ben geraakt.  Eindelijk kan ik mijn ogen langzaam weer openen. Ik ben nu ergens anders, niet op mijn kamer. ‘Niet schikken meisje, je bent niet onder de jongenskamer’, zegt een man. Ik kijk hem aan en ik begrijp het niet. Waar ben ik dan? denk ik. Nu zeg ik het. ‘Je bent op de locatie waar wij soms zijn’, zegt een man. ‘Niet alles tegen dat grietje zeggen’, zegt weer een andere. Ik kijk om mij heen en herken het inderdaad niet. Alles is groen, zelfs het plafond wat meestal wit is. Ook de banken en stoelen zijn groen. Ramen en verwarming zijn hier ook niet, we zijn dus nu misschien wel onder een roze meisjeskamer. Die gedachte maakt mij bang en een beetje aan het lachen. De mannen hebben het gelijk door. ‘Is er iets grappigs?’, vraagt er weer een. ‘Nee’, zeg ik serieus. ‘Zal de hersenschudding wel zijn, als ik die heb’,  zeg ik.  ‘Je bent niet grappig, als je dat soms denkt’, zegt een man. Alle mannen lachen. ‘Alleen wij mogen hier de grapjes maken’, zegt weer een ander. Ja en dat doen jullie ook zo vaak, denk ik sarcastisch. Ik zucht. ‘Je hoeft niet zo verwend te doen hoor meissie. En trouwens je gaat zo weer terug naar die andere locatie’, zegt een man. ‘Dan moeten we je wel weer even bewusteloos maken. Dat doen we met een soort injectienaald met bepaalde slaapmiddel vloeistof, oké?’, gaat hij verder.  Sommige mensen praten echt te makkelijk over dingen, de mannen zijn daar voorbeelden van. Ik schrik. Een grote angst gaat door mijn lijf. Maar de gedachte dat ik dan even weg ben van de wereld, stelt me gerust. Dat ik weer even weg mag zijn van alles en iedereen. Maar vooral van de mannen.  Onverwachts, maar toch verwachtbaar doet een van de mannen een injectienaald in mijn schouder. Ik word heel snel moe en alles is even later al snel zwart.

 

Ik word wakker en open mijn ogen voor de zoveelste keer. Ik kijk als eerste naar boven, een wit plafond. Daarna kijk ik om me heen, gelukkig maar ook helaas herken ik mijn kamer.  Ik voel me niet meer duizelig dus ik kan zonder flauw te vallen mijn bed uit gaan. Er rolt toch een kleine traan van mijn wang als ik erachter kom dat ik weer helemaal fit ben. Ik wil naar huis, ik wil mijn leven terug. Mijn ouders, mijn eigen kamer. Maar het allerliefste wil ik mijn vriendje terug. Ik wil dat ik de tijd terug kan draaien, maar ik weet dat ik niet kan. Ik wil zoveel, maar ik krijg alles wat ik niet wil. En wat ik wel wil doet er niet toe. De mannen leven in hun eigen wereld en alle meisjes moeten hun wensen vervullen. Alle meisjes moeten hun tevreden houden. Zodat alle mannen wel krijgen wat ze willen en alle meisjes niet.  Dit is niet eens meer leven, dit is een hel. Voor mijn gevoel ben ik al dood. En ben ik hier weer levend geworden, omdat ik het leven in de hemel niet verdiende. Ik verdien een tweede leven in de hel. Dat komt omdat ik naar dat feest was gegaan. Dat is de grootste fout van mijn leven geweest toen ik nog echt leefde.  Maar hoe kon je nou weten dat dit zou gebeuren? Wie kan zoiets bedenken? Zegt een klein stemmetje in mijn hoofd. Ik droog mijn traan met mijn mouw. Ik heb niet erg gehuild, maar het was toch een traan. Een traan te veel, een traan voor de mannen. Ik realiseer mij dat ik niets fout had gedaan, oké ik moest niet naar dat feest gaan. Maar ik wist ook niet dat dit allemaal kon gebeuren.  Je weet namelijk nooit wat er gaat gebeuren. Ik kan de tijd niet terug draaien en helaas ook niet de toekomst voorspellen. Ik moet wachten, wachten om weer echt te leven. Wat een gevoel diep van binnen, misschien wel hetzelfde als het stemmetje, zegt tegen mij dat het goed gaat komen. Misschien niet morgen of volgende week. Maar ik heb het gevoel dat ik ooit nog echt ga leven.

 

Het is vandaag een groot feest. Ik zit hier nu al één jaar opgesloten met alle andere meisjes en meisjes die hier al langer zitten.  De mannen weten dat ook, dus als ik richting het ontbijt loop ruik ik de geur van croissantjes en verse broodjes. Normaal krijgen we altijd droog brood, dus de mannen weten duidelijk dat er iets aan de hand is. Melanie en ik zijn vriendinnen geworden, het is nog steeds de enige vriendin die ik heb. Maar een vriendin is alles wat ik wil. Want als ik een gemeende knuffel krijg van iemand van wie ik hou, haalt dat voor een paar secondes mijn negatieve gedachtes weg. En als ik voor een paar secondes geen negatieve gedachtes heb voelt het alsof ik weer leef en dat is het enige wat ik nog wil voelen. Maar je kunt hier niet leven, want je moet overleven. Één jaar lang heb ik elke dag met ranzige mannen moeten praten en met hun naar bed moeten gaan. Één jaar lang zijn al onze pogingen om te ontsnappen mislukt. ‘Jullie weten wat er vandaag gaat gebeuren!’, schreeuwt een man. Ja, de mannen zijn duidelijk afwezig, denk ik. ‘De meisjes die hier één of twee jaar zitten krijgen een heerlijk ontbijt en de meisjes die hier drie jaar zitten mogen met ons mee. Hun worden natuurlijk vrijgelaten’, zegt hij verder. Alle mannen lachen, de meisjes huilen. Natuurlijk worden de meisjes die hier drie jaar zitten niet vrijgelaten maar vermoord.

Mijn vader

Mijn vader, mijn liefste vader. Ik mis hem nog elke seconde, elke minuut, elk uur, elke dag. Hij woont nu ergens anders. Ik hoor van mensen dat als ze weggaan van de aarde en ze een eerlijk leven hebben geleid, ze dan naar de hemel gaan. Ik twijfel er geen seconde aan dat hij een eerlijk, leuk, lief mens was en is. Toch blijf ik hopen dat ik hem ooit nog eens zal zien, en dan niet in mijn dromen, maar in het echt. Dat ik hem nog een keer uit kan zwaaien, afscheid van hem kan nemen, en hem een mooie tijd in de hemel kan wensen. Er valt een traan op de grond, ik lig op de bank. Mijn moeder slaat een arm om mij heen. ‘We missen hem allemaal, maar weet dat papa altijd van je zal blijven houden en trots op je zal zijn’. Ik herhaal de zin nog een paar keer, en besef mij dat ik geluk heb gehad dat ik de leukste, grappigste liefste vader heb mogen kennen. Met die gedachte val ik in slaap.

Gedachtes

Soms, eigenlijk heel vaak vraag ik mij af wat anderen van mij vinden.

Of ze naar dezelfde manier naar mij kijken als hoe ik naar mezelf kijk.

Ik wil hun gedachtes horen

maar dat kan niet.

Ik heb nu zin om hun door mij bedachte gedachtes op te schrijven:

‘Zie die loser daar.

Ze faalt door alles wat ze doet.

Ze is depressief’.

Alles van deze dingen kwetst me.

Dus vergeet wat ik net geschreven heb

en lees dit nu heel goed.

Je kunt hun gedachtes niet lezen.

Maar als je denkt dat ze je toch niet mogen

heeft het weinig zin om door te gaan.

Ze kennen je niet eens.

Omdat je de ‘echte’ ik nog niet hebt laten zien.

Omdat je bang bent dat jouw gedachtes hun echte gedachtes worden.

Je bent bang dat ze je dan allemaal uit gaan lachen.

Maar als je niet probeert om je echte ‘ik’ te zijn

dan ga je ook nooit weten of ze je echte ‘ik’ mogen.

Misschien

heel misschien ben je nog niet eens zo erg als je zelf denkt.

Misschien

valt het allemaal wel mee.

En word je vrienden met dat meisje waarvan je dacht

dat zij dezelfde gedachtes als jou over jou had.

Misschien valt het allemaal wel tegen.

Maar als je bang blijft zijn  gaan ze je misschien wel een loser

een meisje die faalt met alles wat ze doet

en depressief vinden.

Gewoon omdat dat meisje

niet eens haar zelf durft te zijn.

Mijn Fictie

Mijn fictie is dat ik wil veranderen.

Ik wil niet meer het bange meiseje zijn van gisteren

maar het stoere meisje van vandaag.

Het meisje die met anderen durft te praten

zonder dat ze ook maar een gedachte

heeft dat ze faalt.

Het meisje dat haar eigen mening heeft

en niet met andere meeloopt

omdat ze anders misschien alleen blijft.

Het meisje dat ook een keer boos mag worden

omdat sommige mensen te ver gaan.

Het meisje dat niet meer zo bang is

om haar zelf te zijn.

Gisteren was mijn fictie nog

dat ik bang was om te falen door mezelf te zijn.

Vandaag is mijn fictie dat ik wil veranderen

En morgen is mijn fictie

dat ik veranderd ben. 

Onbereikbare liefde

Hij is alles voor mij

De onvergetelijke droom,

waar hij elke nacht weer in komt.

het liedje dat ik duizend keer luister,

omdat ik dan aan hem moet denken.

Maar vooral de pijn

voor het onbereikbare.

Ik hou van hem

maar het is zo moeilijk om van iets

of iemand te houden

als het niet van jou kan zijn.

Als ik hem elke dag weer zie

weet ik dat ik moet stoppen met verliefd zijn

Want ik weet

dat hij mij niet ziet staan.

En als ik elke dag door ga

met zo verliefd zijn

ben ik bang dat ik gebroken word

door de liefde die hij mij niet geeft. 

Sprookje

ik leef in een sprookje.

in een sprookje dat echt bestaat.

Waar geen mensen zijn die zeuren

over hoe je eruit ziet

Waar je vandaan komt.

of wie je echt bent.

In mijn sprookje

wonen mensen die alleen maar lachen

om alles en om niets

Er is een regenboog

zonder regen.

De zon die altijd schijnt.

De bloemen groeien het hele jaar door.

er zijn er weilanden vol van.

Ooit stonden hier fabrieken

maar die zijn verdwenen

omdat die alleen bij de oude wereld horen.

Ik hou van mijn sprookje

in deze nieuwe wereld.

Ik heb hem ontdekt

toen ik naar huis fietste.

Toen zag ik hoe mooi

onze wereld kan zijn.

Het jammere aan mijn sprookje

is dat het sprookje en de echte wereld niet bestaat

maar wel zou kunnen bestaan.

En er komt geen regenboog

zonder regen.

Of een zon die altijd schijnt.

En de bloemen groeien niet het hele jaar.

Maar als wij nou eens gaan lachen

gaan accepteren

en stoppen met het nieuwste willen

dan maakt het niet uit

of de bloemen niet altijd groeien

de zon niet altijd schijnt

of als het een keer regent